Vaderdag

Toen ik zes was, ging ik elke zondag wandelen met mijn vader. In de herfst raapten we kastanjes, in de winter maakten we een sneeuwpop; en altijd namen we een voetbal mee.

Mijn moeder was daar nooit zo blij mee. “Trek een oude broek aan”, vroeg ze, want ze wist al dat mijn zondagse kleren weer onder het gras zouden zitten – maar ik was zo blij met mijn mooie nieuwe broek, dat ik haar plechtig beloofde om netjes te blijven staan.

Eenmaal op het veld was dat gauw weer vergeten. Ik dook naar elke bal, of struikelde over mijn eigen voeten, of maakte een sliding – er was altijd wel een reden om op de grond te eindigen. Uiteindelijk loste mijn moeder dit op door me zelf mijn voetbalkleren te laten wassen. Niet dat ik daardoor minder vlekken had (in tegendeel), maar het scheelde haar een stuk boenen.

Mijn vader had in tijd een mythische status. Hij was “de man die alles kon”, sterk, groot, hij kon voetballen, schaken, hij wist allerlei bijzondere dingen en zijn sloffen hadden een apart luchtje. Toen we op vakantie gingen naar Zwitserland, leerde hij me een aantal woordjes in het Frans (fromage, pain, vin) en later ontdekte ik dat hij ook goed genoeg Italiaans sprak om kookboeken te vertalen.

Naarmate het slechter ging tussen mijn ouders dronk hij steeds meer – of misschien ging het wel slechter tussen ze naarmate hij meer dronk. Ik was gewend aan de geur van wijn als ik ’s avonds op mocht blijven, maar toen ik hem een keer wist te verslaan met schaken wist ik dat het fout begon te gaan.

De wereld van volwassenen was nog een groot raadsel voor mij, maar ik begreep wel dat er iets mis was. In de etalage van een boekwinkel zag ik een boek over “Help, mijn ouders gaan scheiden”, en ik besefte dat mij dat ook kon overkomen.

Midden in de nacht werd ik wakker gemaakt door mijn vader en moeder. “Je vader gaat bij ons weg”, kondigde mijn moeder aan, en mijn vader vertelde dat het maar voor een tijdje zou zijn. Hij zou druiven gaan plukken in Frankrijk, en daarna weer terugkomen.

Ik begreep er niet veel van, maar als kind vind je het heel normaal dat ouders vreemde dingen doen. Ik begreep wel dat de continue ruzies voorlopig ten einde waren, en dat was positief.

De jaren erna was mijn vader vooral “de man die er niet was”. Hij was er niet met vaderdag, niet met de musical in de zesde klas, niet toen we kampioen werden met voetballen, niet toen ik me voor het eerst ging scheren of toen ik geslaagd was op de middelbare school. Zeer onregelmatig gingen we bij hem op bezoek – soms zag ik hem een jaar niet. Ik vond dat ook prima: hij had mijn moeder en mijn zusje veel verdriet gedaan.

Pas tegen het einde van zijn leven ging het weer wat beter tussen ons – zowel tussen hem en mij als tussen hem en mijn moeder. Een half jaar voor hij plotseling overleed, ging ze mee naar een feest van mijn opa en oma, en de foto die toen gemaakt is, is nog altijd een mooie herinnering voor me. Ik was er zelf niet bij, maar het gaf me weer hoop: misschien zou het ooit weer goed komen?

Hij dronk inmiddels niet meer, op advies van de dokter. Hij slikte wel zo veel medicijnen dat hij constant trilde en onzeker stond, maar in ons bijzijn was hij in elk geval overgestapt op alcoholvrij bier. Ik wist ook dat zijn relatie inmiddels uit was, en hij probeerde alles weer op de rails te krijgen.

Toen ik een paar maanden later thuis kwam en zag dat er berichten waren van zowel mijn moeder als van mijn opa, wist ik dat er iets niet goed was. Het contact met opa en oma was nog minder dan met mijn vader – er kon maar één reden zijn waarom ze me wilden bellen.

In eerste instantie liet het me vrij koud. Dit was een man die ik nauwelijks kende, en nu was hij dood. Hij was de dag tevoren opgenomen in het ziekenhuis voor een acute blindedarmontsteking en ’s nachts overleden aan onbekende complicaties. Ik besefte dat ik verdrietig moest zijn, maar ik was vooral verdoofd door de schok.

Pas bij het bezichtigen drong het tot me door. Daar lag de man die mijn vader was, die vooral ook mijn vader niet was geweest – niet zoals ik dat graag had gewild in elk geval. Het gevoel dat toen los kwam was een mengeling van allerlei emoties: verdriet, woede, onmacht.

Bij de begrafenis was ik geroerd door hoe veel mensen gekomen waren – allemaal uit een deel van zijn leven dat ik niet kende. Ik wist nauwelijks waar hij werkte, laat staan wie zijn collega’s waren. Zelfs de vrouw met wie hij een tijd had samengewoond kende ik niet. In feite was mijn vader een onbekende voor me.

De maanden erna zag ik hem overal. Ik wou zo graag nog een keer met hem praten, dingen uitleggen, hem dingen verwijten maar ook vergeven, maar wist dat die kans nooit meer zou komen.

Naarmate ik ouder word, ga ik fysiek steeds meer op hem lijken, of ik dat wil of niet. Mijn vader is nu vooral “de man die ik niet wil zijn” – ik hoop Milan en Kirsten anders op te voeden. Er is geen boosheid meer: ik besef ook dat de situatie complexer was dan ik als tienjarige kon weten. Maar ik wil het wel graag anders doen.

De zoon hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader, zegt de bijbel – maar hij kan er wel van leren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s