Allemaal beestjes

De dag dat we ons definitief vestigden op Curaçao, bleek ons huis al bewoond te zijn: door een nest schorpioenen.

In de tropen is alles anders, ook het dierenrijk, en dat betekent dat je ook wel eens een beest tegen komt dat je eigenlijk liever niet had gezien. Toch valt het allemaal nog wel mee opCuraçao: we hebben een niet-giftig slangetje, wat gekko’s en andere hagedissen, een indrukwekkende leguaan, maar geen echte roofdieren. En o ja, die schorpioenen.

Deze verwanten van spinnen hebben al voor heel wat commotie gezorgd, in huize Redeker. Ze zijn weliswaar niet giftig, maar je schrikt toch als er ineens een op de broek zit die je net aantrekt (aan de buitenkant gelukkig). Mijn zus heeft er (onbedoeld) een meegenomen naar Nederland, en zelf heb ik er een mee naar Bonaire geëxporteerd. Ik kan je vertellen dat je ineens heel makkelijk uit een vliegtuig komt als er een schorpioen op je handbagage zit, dus misschien is dat een tip voor mensen die veel vliegen.

Ik ben ook een keer door ze gestoken. Dat klinkt heel stoer, maar het was eigenlijk vrij suf en stelde niet eens zo veel voor. Na een duikje ging ik me afdrogen, en voelde plotseling een scherpe steek op mijn schouder, alsof er een doorn in de handdoek zat. Dat bleek dus een kleine schorpioen te zijn, die bepaald niet te spreken was over de manier waarop ik hem behandelde. Ik heb mijn excuses aangeboden en op een schaduwrijk plekje neergezet.

De steek zelf viel eigenlijk reuze mee – zoiets als een wespesteek denk ik (al ben ik sinds mijn 6e niet meer door een wesp gestoken). Na een uurtje was het weer over. We hebben overigens meer van dat soort vervelende maar niet dodelijke kruipers: duizendpoten kunnen gemeen bijten, en we hebben natuurlijk wespen (Maribomba’s) en muggen (maar geen malaria of gele koorts, gelukkig).

Als Nederlander griezel je waarschijnlijk bij het idee van schorpioenen en slangen – zo was ik vroeger in elk geval wel. Toen mijn vrouw op de Pabo een les ging geven met een (volstrekt ongevaarlijke) kousebandslang, was ik zo panisch dat ze met het beest bij haar ouders overnacht heeft – ik wou geen slang in mijn huis. Het is maar goed dat ik toen niet wist dat ze ooit vrij in mijn tuin zouden rondkruipen.

Gek genoeg ben ik juist in Afrika (waar je echte slangen hebt, niet van die opgevoerde regenwormen zoals bij ons) minder bang geworden. Toen we een wandeling maakten met een lokale gids vroeg ik of ze ook slangen en schorpioenen hadden en binnen 5 minuten had hij onder andere een gele schorpioen en een pofadder gevonden – één van de dodelijkste slangen die er zijn.

Er vielen me toen drie dingen op. Ten eerste zijn ze enorm schuw. Ze zijn helemaal niet geinteresseerd in mensen, en zullen je nooit zo maar aanvallen. Dat maakte mij al een stuk relaxter.

Ten tweede proberen ze je meestal te waarschuwen als ze boos (of bang) zijn. Zo’n pofadder bijvoorbeeld, schuurt met zn schubben tegen elkaar en maakt zo een raspend geluid. Een schorpioen zet z’n stekel op (jammer alleen dat je dat niet ziet als hij in je handdoek zit) en zo hebben ze allemaal wel wat: bijten is een laatste redmiddel.

Het derde wat opvalt is dat wij mensen een stuk gevaarlijker zijn voor slangen en schorpioenen dan andersom. Het kost helemaal niet veel moeite een schorpioen of zelfs zo’n pofadder te doden – en dat is dan ook wat er meestal gebeurt.

Het zelfde lot (de dood) is een ander diertje beschoren dat over de hele wereld mensen de stuipen op het lijf jaagt: de Kakalaka, La Cucaracha, de Blatella Germanica (oftewel: de kakkerlak). Ja, wij hebben ze ook op Curaçao, en dat is niet gek, want ze houden van warme en vochtige plekken. Waarom is er nog nooit een griezelfilm gemaakt is over dit nuttige beestje? Je hoeft maar te denken aan een keuken vol kakkerlakken, en je haren staan recht overeind. Voer voor Hollywood, lijkt me.

Maar waarom eigenlijk? Ze hebben geen dodelijk vergif, geen scherpe tanden, geen angels, het is eigenlijk een heel gewoon torretje – maar wie er een onder z’n bed ontdekt, slaapt de rest van de nacht niet. Annie MG Schmidt heeft met Zaza een heel sympathieke kakkerlak gecreëerd, maar het mocht al niet meer baten. De kakkerlak heeft een slechte naam en komt daar niet meer van af.

Laten we eerlijk wezen, ik ben ook niet dol op ze. We hebben ze niet in huis, en dat wou ik graag zo houden, maar als je ziet wat ze presteren, dan moet je daar toch respect voor hebben. Een kakkerlak kan bv elke maand voor 15 nakomelingen zorgen; dat betekent dat een stelletje in een half jaar tijd na een half jaar een kleine 200.000 achterachterachterkleinkinderen kan hebben. Das toch knap?

En wist je dat ze een tijdje door kunnen leven zonder kop? Het eet wat lastig, en ze kunnen ook niet meer de weg vragen, dus de kans is klein dat je zo van ze af komt, maar knap is het wel. Je moet overigens niet alles geloven wat over ze gezegd wordt; het is niet waar dat ze een nucleaire holocaust zouden overleven, en je mag ze vanaf vandaag gewoon weer doodtrappen – eventuele eitjes overleven dat niet.

En wat krijgen wij in ruil voor al die schorpioenen, duizendpoten en kakkerlakken? Nou, bijvoorbeeld prachtige kleurige vogels, zoals suikerdiefjes en parkietjes. Of ’s ochtends een trupiaal die je wakker maakt: bon dia! Bon dia! Bon dia! Of soms, als je met een kopje koffie op de porch zit, een kolibrietje dat langsvliegt en voor een bloem blijft zoemen. En schildpadden en papegaaivissen, als je gaat duiken.

Mij is het dat wel waard. En dan neem ik af en toe een schorpioen graag voor lief – zo weet je tenminste dat je in de tropen woont.

Advertenties

Een Reactie op “Allemaal beestjes

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s